Joëls Column
2010
De functie van workshops30 mei 2010 Tien jaar geleden organiseerde Apollo tijdens haar 100-jarig jubileum workshops. Tegenwoordig spreekt iedereen over masterclasses. Hoe dan ook, gezien de reputatie van de meesters kon wel deftig worden gesproken over een ‘masterclass’, want Nederlands grootste koperblazers kwamen naar Domburg: van Huug Steketee tot Hendrik Jan Renes, van Hans Alting tot Jurgen van Rijen. Het kostte je een geeltje, maar dat was geen geld voor zoveel klasse op een dergelijk klein oppervlak. Als broekie trok ik mijn vader aan zijn mouw of ik belde mijn suikeroom. Eigenlijk wist ik helemaal niet wie er kwamen. Hans Alting? Jurgen van Rijen? Nog nooit van gehoord. Huug Steketee was voor mij op die leeftijd ook nog onbekend, maar omdat iedereen Huug kende, kon ik natuurlijk niet achterblijven. Ik twijfelde of ik er heen moest gaan: met wat gepruts op een escornet (die ik op een blauwe maandag bespeelde) had dat weinig zin. Ja, de Arban toonladders speelde ik graag, wat op zichzelf als opmerkelijk kan worden beschouwd, maar dat zou weinig windeieren leggen. Er deden veel Domburgers mee. Natuurlijk. Afwezig zijn op je eigen feest zou ook buitengewoon merkwaardig zijn. Ik kan me er weinig meer van herinneren, maar achteraf is het belangrijkste dat Hans Alting me op dat moment een klein beetje enthousiaster heeft gemaakt voor het koperblazen an sich. Een docent en/of een vereniging zijn natuurlijk hoofdverantwoordelijk voor het plezier in een hobby op lange termijn, maar bij een workshop wordt die aardigheid iets bewuster en meer op korte termijn aangewakkerd. Wat relevant is, lijkt de drang om beter te worden na een dergelijke workshop of masterclass: oefenen, aan de slag gaan met de aanwijzingen en er over praten met je docent en medemuzikanten. Nu Apollo 110 jaar bestaat, organiseerde de evenementencommissie wederom een workshop, maar dan speciaal bedoeld voor de jeugdleden. Gezien de reacties moge het duidelijk zijn, dat Louis Wilhelmus en Eddy Kaaisteker de jongelingen ook hier weer een klein beetje meer bezieling hebben meegegeven voor het zelf musiceren. Half mei kwam de Engelse sterspeler Steven Mead naar Zeeland om een workshop te geven (Karin Wisse deed mee), eind mei verzorgde de Europese brassbandkampioen Cory Band in België masterclasses (Barbra Frenks en Patricia Geertse deden mee) en begin juni zal Luc Vertommen in Goes iets soortgelijks op touw zetten. Kortom, muzikanten zouden elke week naar dergelijke lezingen kunnen gaan. Het mooie en tegelijk vervelende aan workshops blijkt de enorme hoeveelheid informatie. Zodoende zijn ze inhoudelijk alleen nuttig wanneer de toehoorder een camera laat meedraaien of aantekeningen worden gemaakt. Misschien is de informatie ook niet het belangrijkste; hoe paradoxaal dat ook klinkt. De theorieën lijken logisch en worden onderwezen door vakspecialisten, maar zijn ze echt waar? Dat is natuurlijk lastig te achterhalen. Op school leren we niet wat de waarheid is en krijgen we geen onderricht in wat wel of geen schoonheid is. In de muziekwereld, maar ook in de wetenschap en het bedrijfsleven spreken vakspecialisten elkaar soms flink tegen. De uitspraken moeten normaliter gevalideerd worden met bewijzen. In de wetenschap worden onderzoeksresultaten aangenomen als deze voldoende betrouwbaar zijn. Wanneer is iets betrouwbaar? Als de steekproef zodanig groot is genomen, dat fluctuaties goed geïnterpreteerd kunnen worden en de gemiddelde eindresultaten als representatief kunnen worden beschouwd. Daarbij moeten de opgemerkte verschijnselen ook daadwerkelijk veroorzaakt zijn door vooraf bedachte of gecreëerde condities. Pas dan kunnen resultaten als ‘algemeen waar’ worden betiteld. Wanneer het aantal metingen te klein wordt gekozen, zijn de absolute fluctuaties misschien nog even groot, maar zijn eindconclusies bedenkelijk. Muziekmethodes kunnen we echter zeer moeilijk toetsen op betrouwbaarheid. Het feit dat ze bestaan, betekent dat ze blijkbaar voor veel mensen hun vruchten afwerpen, maar toch ook zeker niet voor iedereen. Wanneer professionele instrumentalisten of andere virtuozen een workshop geven, scoort dat enorm goed. Vanwege de bewezen muzikaliteit van deze mensen, zijn veel mensen immers geneigd om te denken dat hun informatie betrouwbaar moet zijn. Toch gaan deze workshops vaak niet verder dan wat algemene strekkingen over ademhaling, warming-ups en aanzet. En wilt de leerling er echt iets aan hebben, dan zal deze bijzonder kritisch aan de slag moeten gaan en een goede zelfreflectie moeten bezitten. Om nog maar te zwijgen over eventuele problemen waar muzikanten tegenaan lopen. Waar is dan die professional? Nergens. Massale workshops zijn daarom inhoudelijk gezien wat achterhaald. Ze hebben wel een grote meerwaarde als het gaat om ‘motiveren’; het toverwoord van de 21e eeuw. Veel muzikanten komen er achter dat ze vaak inefficiënt studeren en toch maar weer eens op les moeten, hoewel ze daar absoluut geen tijd voor denken te hebben. Toch hoeft deze privéles helemaal niet wekelijks plaats te vinden: eens in de drie weken kan bijzondere dingen met je doen. En als muzikanten wekelijks naar een repetitie gaan, kunnen ze toch moeilijk verkopen geen tijd voor les te hebben? Eigenlijk verklappen ze daarmee op andere dagen nauwelijks tot nooit te studeren. Is dat erg? Ik denk het niet. Laten we het zo formuleren: als je dit erg vindt, kun je doorprediken tot je een ons weegt. Bespaar je de moeite. Een vereniging is immers altijd een mix van personen en persoonlijkheden die in meer of mindere mate dezelfde passie delen: muziek, voetbal, volleybal of schaken. Voor de één is dat dagelijks repeteren, trainen en op conditie blijven; hier is de ‘passie’ blijkbaar in grote mate aanwezig. Dit zijn de zogenaamde fanatiekelingen, uitslovers, brave Hendrikken, of ‘ik denk dat ik kan spelen, want ik oefen veel’. Voor de ander is dat wekelijks een gezellige avond met een beetje muziek, voetbal, volleybal of schaken. Dit zijn de personen met verhalen als: ‘studeren is saai’; ‘ik heb ook nog andere interesses’; ‘ik oefen net genoeg’ of ‘ik denk dat ik kan spelen, want zelfs zonder oefening lukt me alles’. Wanneer muzikanten (nog meer) geënthousiasmeerd worden door een workshop kan dat zeer positieve gevolgen hebben voor een muziekvereniging. Eigenlijk geldt dat ook voor gastdirecties. Repetitie-gangers beschouwen de opvattingen van de nieuwe dirigent als ‘verfrissend’, spelen geconcentreerder en blijken achteraf gemotiveerder dan voorheen. Wanneer een leerling hierdoor meer gaat studeren en op langere termijn een zekere discipline kan bewerkstelligen, zal de leerling in samenwerking met een docent pijlsnel vorderen. Dat geldt voor vele zaken: een wiskundeleraar kan nog zo duidelijk vraagstukken uitleggen, maar wanneer de scholier zelf geen sommen maakt, zal hij of zij het nooit leren. En zijn het niet juist de vorderingen die muzikanten op de lange termijn motiveren? Afgaand op gewaardeerde profs denk ik dat instrumentalisten een deel van ‘het geleerde’ eruit moet filtreren dat bij hen past. Dat is een gevaarlijke uitspraak, maar qua intentie juist bedoeld. Ware trucjes bestaan niet. Wanneer iedereen die geweldige trucs zou opvolgen, zou namelijk iedereen fantastisch musiceren. Blijkbaar is het toch moeilijker dan iedereen denkt. Wonderbaarlijke talenten weten vaak zelf niet hoe ze fysiek gezien spelen, laat staan dat ze dat aan een publiek moeten uitleggen. Evenzo is het voor docenten moeilijk mensen op te leiden. Er zijn handvaten en basisprincipes die elkaar soms tegenspreken. Echter, er zijn tal van variabelen waarop het musiceren gestoeld is. Om als docent te ontdekken welke principes bij een pupil passen, waar de crux zit en deze vervolgens op te lossen, lijkt bijna een onmogelijke taak. Interactie met de docent over wat wel en wat niet prettig is, lijkt dan ook onmisbaar. Daarom kan de wetenschap van didactiek en pedagogiek zo interessant zijn. Als laatste, ongeacht de financiële haalbaarheid: een workshop eens in de tien jaar? Liever eens per jaar. Joël de Visser.
|